Nieuws

Is een letselschade-uitkering verknocht?

Is een letselschade-uitkering verknocht?

Veel letselschadezaken worden afgewikkeld door middel van een vaststellingsovereenkomst waarbij aan de rechthebbende een bedrag ineens wordt betaald voor alle geleden en toekomstige materiële en immateriële schade. Moet de rechthebbende bij echtscheiding deze uitkering delen met zijn echtgenoot?

Echtscheiding/gemeenschap van goederen

Meer dan 1/3 deel van de huwelijken in Nederland eindigt in een echtscheiding. In 2015 zijn 34.000 huwelijken door echtscheiding ontbonden. De meeste echtgenoten zijn nog steeds in gemeenschap van goederen gehuwd. De gemeenschap van goederen omvat in beginsel alle baten en schulden van de echtgenoten.1 De gemeenschap van goederen wordt van rechtswege ontbonden op het tijdstip van indie­ning van het echtscheidingsverzoek.2 Per die datum hebben de echtgenoten een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap die alle baten en lasten omvat.3 Eén van de uitzonderingen op deze beginselen is vastgelegd in art. 1:94 lid 3 BW: “Goederen en schulden die aan één der echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn vallen slechts in de gemeenschap van goederen voor zover die verknochtheid zich hiertegen niet verzet.” De vraag of een goed van de gemeenschap verknocht is en niet met de andere echtgenoot hoeft te worden gedeeld, gaat pas een rol spelen bij de ontbinding van de gemeenschap. In dat geval moet met terugwerkende kracht beoordeeld worden of een onderdeel van de gemeenschap aan één der echtgenoten verknocht is. In het kader van dit artikel zal ik mij beperken tot de vraag of een letselschade-uitkering bij de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap verknocht is aan de rechthebbende echtgenoot zodat hij deze niet met de andere echtgenoot hoeft te delen.

1 Art. 1:94 BW.
2 Art. 1:99 lid 1 sub b BW.
3 Art. 1:100 lid 1 BW.

Verknochtheid

Verknochtheid is geen absoluut begrip.

Wanneer wordt een goed als verknocht in de zin van de wet aangemerkt? Wanneer is een goed zo hoogstpersoonlijk dat deze niet in een gemeenschap van goederen valt? De wetgever heeft de invulling van dit begrip overgelaten aan de rechtspraak. De Hoge Raad heeft in een aantal standaardarresten criteria ontwikkeld om te bepalen of bij de ontbinding van de gemeenschap een letselschade-uitkering verknocht is.

De volgende criteria zijn van belang bij het beoordelen van de verknochtheid

  1. De uitkering is naar haar aard ten tijde van de uitkering volgens maatschappelijke opvattingen uitsluitend bestemd voor de rechthebbende.
  2. Het hoogstpersoonlijke karakter wordt mede ingevuld naar het doel waarvoor de uitkering is verkregen.
  3. De omstandigheden van het geval spelen een rol.
  4. De situatie ten tijde van de ontbinding van de gemeenschap is bepalend.
  5. De vergoeding heeft betrekking op schade in de toekomst na de ontbinding van de gemeenschap.


De maatschappelijke opvattingen (de objectieve norm) over de vraag of een uitkering als hoogstpersoonlijk (verknocht) moet worden aangemerkt, spelen daarbij een grote rol naast de omstandigheden van het geval (de subjectieve norm). De objectieve norm, de maatschappelijke opvattingen, wordt in de loop der jaren door de rechtspraak genuanceerd door de subjectieve norm (de omstandigheden van het geval) mee te wegen bij de vraag of een goed verknocht is.

4 HR 23 december 1988, NJ 1989, 700; HR 24 oktober 1997, NJ 1998, 693; HR 3 november 2006, NJ 2008, 257 en 258; HR 7 december 2012. ECLI:NL:HR:2012:BY0957. Zie artikel mr. dr. B. Breederveld, EB 2015, 66 ‘Hoe ver reikt de verknochtheid?’.

Smartengeld5

Is een aanspraak op smartengeld of een schade-uitkering uit hoofde van smartengeld verknocht aan de rechthebbende? Door de wetgever is smartengeld als een hoogstpersoon­lijk recht van de benadeelde aangemerkt. Het recht op een smartengeldvergoeding is niet vatbaar voor overgang en beslag, tenzij het bij overeenkomst is vastgelegd of ter zake een vordering in rechte is ingesteld. In 1986 oordeelde de Hoge Raad nog dat een aanspraak op smartengeld als zijnde een vordering in geld naar zijn aard niet verknocht is en gewoon in de gemeenschap valt.6 De enkele omstandigheid, aldus de Hoge Raad, dat het gaat om een aanspraak op een vergoeding voor een door de man hoogstpersoonlijk ondergaand leed brengt niet met zich mee dat hier sprake is van verknochtheid in de zin van art.1:94 lid 3 BW. De aanspraak op smartengeld viel dus in de gemeenschap en moest bij ontbinding van de gemeenschap worden gedeeld.

Smartengeld is naar haar aard verknocht maar een met het smartengeld verkregen goed kan in de gemeenschap van goederen vallen en dus verdeeld moeten worden.

In 1997 liet de Hoge Raad echter een arrest van het Gerechtshof in stand. Het Gerechtshof had overwogen dat de aanspraak op vergoeding van immateriële schade naar zijn aard bestemd is om te dienen als compensatie voor het leed zoals pijn, verdriet en verminderde levensvreugde dat de vrouw heeft ondergaan en gelet op de aard van het letsel (whiplash) in de toekomst zal ondergaan en dat de vergoeding derhalve uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon van de vrouw verbonden nadelige gevolgen van het ongeval. Smartengeld is dus verknocht in de zin van art. 1:94 lid 3 BW. In deze casus keerde de WA-verzekering aan de vrouw een deel van de schadevergoeding groot ƒ 12.000 uit tijdens het huwelijk en na de ontbinding van de gemeenschap volgde een slotbetaling onder algemene titel van ƒ 178.000. Met betrekking tot de aanspraak op vergoeding van materiële schade overwoog het hof dat hiervoor geldt dat deze betrekking heeft op financiële nadelen die na de ontbinding van het huwelijk uitsluitend door de vrouw zullen worden geleden. Het hof heeft hieraan toegevoegd dat, voor zover als gevolg van het ongeval al tijdens het huwelijk van partijen materiële schade is geleden, deze moet worden geacht te zijn gedekt door het toen reeds ontvangen voorschot op de schadevergoeding van ƒ 12.000. In dit geval oordeelde het hof dat de slotbetaling, ontvangen na de ontbinding van de gemeenschap, daaronder begre­pen het smartengeld, niet door partijen verdeeld hoefde te worden ondanks het feit dat de aanspraak daarop al tijdens de gemeenschap was ontstaan.

5 Art. 6:106 BW. 6 HR 3 januari 1986, NJ 1987, 73.
6 HR 3 januari 1986, NJ 1987, 73.

Een tijdens het huwelijk ontvangen letselschade-uitkering in geld kan bij echtscheiding verknocht zijn aan de rechthebbende echtgenoot ondanks de gemeenschap van goederen.

Volgens vaste jurisprudentie wordt sedertdien de aanspraak op smartengeld (immateriële schade) naar haar aard als verknocht aangemerkt. Dit alles wil echter nog niet zeggen dat een tijdens het huwelijk ontvangen letselschadeuitkering altijd buiten de verdeling van de gemeenschap van goederen blijft. De vraag of de tijdens het huwelijk ontvangen uitkering tot de gemeenschap behoort, wordt in de eerste plaats bepaald door het antwoord op de vraag waarvoor de uitkering is bestemd geweest (smartengeld in eigenlijke zin of voor vergoeding van materiële schade zoals verminderde verdiencapaciteit) en voorts of de uitkering wegens materiële schade mede betrekking heeft op vergoe­ding van schade in de periode voor en/of na ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Een deel van de uitkering kan dus in de huwelijksgemeenschap vallen.

Geldsom

In 2012 heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewe­zen door te overwegen dat ook de tijdens de gemeenschap ontvangen schadevergoeding in geld uit hoofde van smar­tengeld en materiële schade verknocht kan zijn. Een geldsom is naar zijn aard niet hoogst persoonlijk. De HR heeft echter de criteria voor verknochtheid als volgt nog eens samengevat. Indien een echtgenoot een vergoeding ontvangt van de schade die deze echtgenoot heeft geleden als gevolg van een ongeval, is niet reeds sprake van verknochtheid indien die vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon van die echtgenoot verbonden nadelige gevolgen van het ongeval. Ook dan zullen de omstandig­heden van het geval in aanmerking genomen dienen te worden en zal de echtgenoot die zich op verknochtheid beroept, tenminste ook moeten stellen welk deel van de materiële schade betrekking heeft op de periode na ontbinding van de gemeenschap zodat deze verknocht is. Het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat gelden, ongeacht of de betaling daarvan ziet op materiële dan wel immateriële schadevergoeding, niet voldoen aan het voor de toepassing van art. 1:94 lid 3 BW te hanteren criterium. Van belang is of de vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokken echtgenoot als gevolg van het ongeval na de ontbinding van de gemeenschap in de toekomst zal lijden zoals toekomstig verlies aan verdienvermogen.

Verlies van verdienvermogen

In een aantal uitspraken van feitenrechters is inmiddels het criterium ontwikkeld dat het deel van de schadevergoeding, dat ziet op materiële schade na ontbinding van de gemeenschap, evenzo als verknocht dient te worden aangemerkt en niet verdeeld hoeft te worden. Dit geldt met name voor toekomstig verlies van verdienvermogen welk als verknocht dient te worden aangemerkt indien dit betrekking heeft op de periode na de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Deze uitkering is immers te beschouwen als een vergoeding van inkomensschade die niet meer tot de gemeenschap behoort. De Hoge Raad heeft in 2016 deze bestendige lijn bevestigd.7 Volgens deze lijn zou ook een vergoeding uit hoofde van andere materiële schade zoals een vergoeding voor huishoudelijke hulp, onderhoud huis, medische ongedekte kosten e.d., verknocht kunnen zijn voor zover deze vergoeding betrekking heeft op schade na de ontbinding van de gemeenschap.

7 HR 24 juni 2016 ECLI:NL:PHR:2016, 291.

De componenten en de looptijd van een schade-uitkering moeten inzichtelijk worden gemaakt om problemen in de toekomst te voorkomen.

Tijdstip uitkering

In de praktijk blijken er problemen te ontstaan indien de letselschade-uitkering tijdens het huwelijk en geruime tijd voor de ontbinding van de gemeenschap vanwege echtscheiding heeft plaatsgevonden, waarna het moeilijk kan zijn om te identificeren welk gedeelte van de schadevergoeding per datum ontbinding van de gemeenschap nog aanwezig is en welk gedeelte daarvan is aan te merken als vergoeding voor toekomstige (materiële) schade na ontbinding van de gemeenschap. Daarbij speelt een complicerende rol de situatie dat de ontvangen schadevergoeding of een deel daarvan is geïnvesteerd in bijvoorbeeld een woning. Het nieuw verkregen goed dat gefinancierd is met een schadevergoeding, welke in beginsel verknocht was, wordt niet automatisch ook verknocht. Het antwoord op de vraag of een goed op een bijzondere wijze aan één der echtgenoten is verknocht, hangt immers af van de aard van het goed zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald.8

8 HR 26 september 2008, JPF 2009/22.

Praktijkvoorbeelden

Casus I

In een casus die in 2008 aan de Hoge Raad is voorgelegd heeft de vrouw een schadevergoeding ontvangen van in totaal ƒ 300.000 als vergoeding van de schade die zij geleden heeft ten gevolge van een ongeval. Het bedrag was voor de ontbinding van de gemeenschap geheel besteed, deels aan de aanschaf van een auto en deels aan de aanschaf van een perceel grond. Op die grond is vervolgens met een door de echtgenoten gezamenlijk gesloten lening de echtelijke woning gebouwd. De Hoge Raad komt tot de conclusie dat het hof terecht heeft overwogen dat voor zaaksvervanging bij verknochtheid geen rol is weggelegd omdat in het kort samengevat niet valt in te zien dat het perceel grond een zodanig nauwe binding heeft met de persoon van de vrouw dat één of meer gevolgen van de gemeenschap niet behoren in te treden.9 Met andere woorden, de grond met de daarop gebouwde woning viel in de gemeenschap van goederen.

9 Gerechtshof Den Bosch 26 november 2015 ECLI:NL:GHSHE:2015:4767.

Casus II

In een zaak die in 2015 aan het Gerechtshof Den Bosch is voorgelegd liep het ook niet goed af voor de rechthebbende die beroep deed op de verknochtheid van een slotuitkering van € 40.000.10 De man had in de echtscheidingsprocedure een brief over­gelegd van de verzekeringsmaatschappij waaruit zou blij­ken hoe de letselschade uitkering ten gevolge van een onge­val zou zijn opgebouwd. Er zou een bedrag van € 12.500 aan smartengeld uitgekeerd zijn en een bedrag van € 25.600 aan toekomstig verlies van verdienvermogen. De man had deze bedragen besteed aan de bouw van een dakkapel en de aankoop van een caravan. Ter zitting had de man medegedeeld dat de dakkapel noodzakelijk was om voor beide kinderen van partijen een eigen slaapkamer te realiseren en dat de caravan was aangeschaft voor gebruik door het gezin. Gelet op die verklaring heeft de man onvoldoende gesteld waaruit kan worden afgeleid waarom de overwaarde van de woning alsmede de opbrengst van de caravan als aan de man verknocht zou moeten worden aangemerkt. Het Gerechtshof Den Bosch herhaalt dat de Hoge Raad al in 20088 heeft uitgemaakt dat de opvatting, dat bij wederbe­legging van goederen en/of gelden die door verknochtheid in beginsel buiten de gemeenschap van goederen vallen, het nieuw verkregen goed op grond van zaaksvervanging even­eens buiten de gemeenschap blijft, onjuist is. Volgens de maatschappelijke opvattingen en de omstandigheden van het geval kan de man dus de investeringen in de caravan en de woning niet meer buiten de verdeling houden. Het smar­tengeld viel door de investering alsnog in de gemeenschap. 

Casus III

Het Gerechtshof Den Haag10 heeft in dit kader in 2016 geoordeeld dat gezien de omstandigheden van het geval een invaliditeitsuitkering die tijdens het huwelijk is ontvangen verdeeld dient te worden. Het hof verwijst daarbij naar de uitspraak van de Hoge Raad van 7 december 2012 (noot 4) in welke uitspraak de Hoge Raad heeft overwogen: 
“Indien één der echtgenoten een vergoeding ontvangt van schade die deze echtgenoot heeft geleden als gevolg van een ongeval is niet reeds sprake van verknochtheid in de zin van artikel 1:94 lid 3 BW indien die vergoeding naar haar aard uitsluitend is afgestemd op de aan de persoon van die echtgenoot verbonden nadelige gevolgen van het onge­val. Omdat ook dan de omstandigheden van het geval in aanmerking dienen te worden genomen zal de echtgenoot die zich op artikel 1:94 lid 3 BW beroept tenminste (tevens) moeten stellen op welke schade(n) van de bij het onge­val betrokken echtgenoot de vergoeding betrekking heeft zodat de rechter kan vaststellen of en zo ja in hoeverre die vragen ten aanzien van één of meer componenten van de vergoeding bevestigend moeten worden beantwoord. Zo is bijvoorbeeld van belang of de vergoeding betrekking heeft op schade die de betrokken echtgenoot als gevolg van het ongeval na ontbinding van de gemeenschap in de toekomst zal lijden zoals toekomstige inkomensschade wegens door het ongeval blijvend verloren arbeidsvermogen.” Het gerechtshof komt vervolgens tot de conclusie dat degene die zich op de verknochtheid beroept niet aan zijn stelplicht en bewijsplicht heeft voldaan zodat de invalidi­teitsuitkering, die tijdens het huwelijk is uitgekeerd, volle­dig in de gemeenschap valt.

10 Gerechtshof Den Haag 14 december 2016 ECLI:NL:GHDHA:2016:4120.

Casus IV

Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde in 2016 echter in een zaak waarbij zaakvervanging een rol speelde in het voordeel van de rechthebbende.11 De man had zijn uitkering geïnvesteerd in een aantal opvol­gende woningen en tenslotte het restant van de uitkering dat overbleef na verkoop door de notaris laten overmaken op een spaarrekening op zijn naam waarna (mede met dit vermogen) hij een bedrijfspand had gekocht dat hij nodig had om werkzaamheden te verrichten aangezien hij niet meer tot zijn oorspronkelijke werkzaamheden in staat was. In dat geval heeft het Gerechtshof Amsterdam geoor­deeld dat het bedrijfspand alsmede het resterende saldo als verknocht dienden te worden aangemerkt waarbij de omstandigheden van het geval de doorslag gaven. In de praktijk blijkt dus dat de omstandigheden van het geval uiteindelijk de doorslag kunnen geven bij de vraag of een zaak verknocht is en of tijdens de ontbinding van de huwelijksgemeenschap die verknochtheid nog steeds aan de orde is.

11 Gerechtshof Amsterdam 27 september 2016 ECLI:NL:GHAMS:2016:3901.

Samenstelling letselschade-uitkering

Uit alle uitspraken blijkt dat het van groot belang is dat de letselschade-uitkering, die veelal in de vorm van een slotbetaling of een lumpsum wordt gedaan, gespecificeerd wordt. Duidelijk moet zijn welk gedeelte betrekking heeft op materiële en welk deel op immateriële schade en welk gedeelte van de materiële schade betrekking heeft op inmid­dels geleden en welk gedeelte van de materiële schade op in de toekomst te lijden schade betrekking heeft. Omdat het leerstuk van de verknochtheid veelal pas gaat spelen bij de ontbinding van de gemeenschap is het dus van belang om met terugwerkende kracht te kunnen analyse­ren hoe het bedrag van de ontvangen schadevergoeding tot stand is gekomen.

Het huwelijksgoederenregime van een rechthebbende is bij een letselschade-uitkering is van belang.

Uit welke componenten is de schade-uitkering opgebouwd: welk bedrag aan immateriële schadevergoeding is overeen­gekomen, welke eindleeftijd is gehanteerd bij het bepalen van de vergoeding voor materiële schade in verband met de verminderde verdiencapaciteit, huishoudelijke hulp, onder­houd huis, op welke periode ziet de schadevergoeding etc. Deze elementen, die veelal niet voorkomen in een vaststel­lingsovereenkomst, kunnen dus voor de rechthebbende van belang worden wanneer hij vervolgens in een echtschei­ding terechtkomt en dan het risico loopt dat hij het volle­dige bedrag van de ontvangen schadevergoeding inclusief het smartengeld alsnog moet delen met zijn aanstaande ex-echtgenoot. Belangenbehartigers van een slachtoffer dienen dan ook actief mee te denken indien de schade wordt vastgesteld en niet zonder meer genoegen te nemen met een lumpsum die niet nader is gedifferentieerd. Ook bij jonge slachtoffers, die nog niet getrouwd zijn, kan het van groot belang zijn om nu juist inzichtelijk te maken voor welk doel de schade-uitkering is gegeven en tot welke periode deze zich uitstrekt. Daarnaast moeten slachtoffers begeleid worden indien zij de hogere bedragen willen investeren omdat het risico kan bestaan dat de verknochtheid van een schadevergoeding verdampt als het bedrag geïnvesteerd wordt in een huis, een stuk grond, aandelen, enz. In dat geval zou het aanbeveling kunnen verdienen om huwelijkse voorwaarden te maken waarbij wordt over­eengekomen dat niet alleen de vergoeding toekomt aan de rechthebbende maar ook alles wat daarvoor in de plaats is gekomen (zaaksvervanging). Men heeft dan niet meer te maken met verknochtheid maar met de afspraak in de huwelijkse voorwaarden over wat privévermogen van ieder der echtgenoten is. De schade­vergoeding en ook wat daarvoor in de plaats is gekomen wordt dan privévermogen en eens privé blijft privé.

Aanbevelingen voor de praktijk

In de letselschadepraktijk is het van belang dat bij een uitkering de vermogensrechtelijke situatie van de rechtheb­bende een rol speelt: is hij gehuwd en zo ja is er sprake van een huwelijksgemeenschap of zijn de echtgenoten huwelijkse voorwaarden overeengekomen en wat is daarin over­eengekomen. Verzekeringsmaatschappijen zouden ook niet moeten kunnen volstaan met het uitkeren van een lumpsum in het kader van een vaststellingsovereenkomst maar de uitke­ring moeten specificeren zodat alle elementen in een later stadium kunnen worden herleid.

Concreet betekent dit het volgende

  1. De componenten en de looptijd van een schadevergoeding dienen duidelijk in de vaststellingsovereenkomst te worden benoemd. 
  2. In alle omstandigheden moet de rechthebbende erop geat­tendeerd worden dat zijn huwelijksgoederenregime van be­lang is. 
  3. Huwelijkse voorwaarden moeten altijd onder de aandacht van de rechthebbende worden gebracht. 
  4. De ontvangen schadevergoeding en de geldstromen moeten identificeerbaar blijven. 
  5. De berekening, die aan een letselschade-uitkering ten grondslag ligt moet duidelijk zijn. 
  6. De rechthebbende moet worden begeleid bij het besteden van de schadevergoeding zeker indien het om hogere bedra­gen gaat gezien de vermogensrechtelijke gevolgen. 
  7. Indien een verknochte schadevergoeding zoals smartengeld wordt geïnvesteerd in een goed dan dient advies te worden ingewonnen bij een notaris en een familierechtadvocaat. 
Gepubliceerd op